© Wolfgang Osterheld

Serge Vandercam, geboren op 30 maart 1924 te Kopenhagen en overleden op 10 maart 2005 te Waver, is een Belgisch fotograaf, schilder en beeldhouwer. Hij verschijnt in talrijke overzichten binnen  het informele onderzoek naar de onmiddellijke nasleep van de oorlog, zozeer in zijn internationale bevestiging, als in zijn wil om de Belgische kunstscène te promoten. In al zijn veelzijdigheid slaagt hij erin zich te bevrijden en zich toe te leggen op het experimentele onderzoek. Als ingewijde in de fotografie, sinds 1942, deconstrueert hij de werkelijkheid. In zijn beelden gaat hij van de verbeelding naar de droom. Van de beschouwing naar de individuele expressie. In de nasleep van de oorlog legt hij zich, geboeid door haar merkwaardigheid toe op de subjectieve fotografie. De toeschouwer bemerkt de agressieve gebogen lijnen, de dictatoriale lijnen, de verlaten landschappen. Hij stelt vast en creëert een kijk met een poëtische klemtoon. Ver weg van de theorie en de concrete vertoningen herkent Vandercam zich in het discours van de Cobra : « Mijn eerste echte artistieke emoties op volwassen leeftijd waren het surrealisme en de Cobra. Cobra is de niet-specialisatie »[1]. In het zevende nummer van het eponieme tijdschrift toont Christian Dotremont zijn toewijding aan de groep door één van zijn foto's te publiceren : De trap. Zijn werk gooit de bestaande praktijken om en benadert dat van de surrealisten. 

Er ontstaat een hechte vriendschap tussen Serge Vandercam en Christian Dotremont. Samen zullen zij een reeks projecten verwezenlijken die kunnen beschouwd worden als een transformatie van de poëtische taal. Ze komen dichterbij de natuur en ontwikkelen een oeuvre dat beladen is met het onirisme van de matieristen[2]. De kunstenaar duikt in het het hart van het onderzoek. Hij vertrekt van een vaststelling en gaat experimenteren. Hij tast het fotografisch materiaal aan. Hij bedekt het met Chinese inkt, draait en kerft erin met een grootse bedrevenheid. Hij ontwikkelt zijn visie op de wereld, het is de periode van de Photogram. In 1950 organiseert  Christian Dotremont een tentoonstelling "De ontwikkeling van het oog" rond de foto's van Raoul Ubac, Roland d’Ursel en Serge Vandercam in de galerij Saint Laurent in Brussel.

Het jaar 1952 zal een belangrijk overgangsjaar zijn, als Roger Van Gindertael, directeur van het tijdschrift Art d'Aujourd'hui hem de realisatie van een portrettengalerij van hedendaagse kunstenaars toevertrouwt om het werk Getuigenis voor de abstracte kunst toe te lichten[3]. In het contact met deze schilders bevestigt de fotograaf zijn verlangen om de artistieke grenzen te overschrijden. Vanuit een organische visie op de werkwijze van de matieristen plaatst hij zich in het hart van de vrije abstractie. Gedurende twee jaar werkt hij aan zijn schilderachtige techniek en zoekt hij zichzelf doorheen de herhaling van beweging.

Na afloop van het Taptoe avontuur (1955-1956) gaat Vandercam in het kielzog daarvan op zoek naar een verdere toenadering tot het schrift. Hij gaat om met talloze schrijvers, maar ook dichters met wie hij zijn eerste schilderij-woorden bewerkstelligt. Hiermee bouwt hij verder op de tradities die enkele jaren voordien verkondigd werden door Cobra. De kunstenaar evolueert in een omgeving van literaire avant gardisten waarin samenwerking aanvaardbaar is. Joseph Noiret, Théodore Koenig, Hugo Claus, Jean Dypréau, Christian Dotremont, Marcel Broodthaers, Marcel Lecomte en ook Gabriel et Marcel Picqueray maken er deel van uit. Vrienden die zich samen rondom artistieke revues groeperen, zoals Phantomas[4] of zijn opvolger Plus +[5].

In 1956 haalt de kunstenaar de Prijs voor de Jonge Belgische Schilderkunst binnen. Geïnspireerd door zijn rebelse geest, herneemt hij de mijnramp in Marcinelle en zet een kreet op het doek. Zijn boosheid wordt zijn expressie en deze wordt bevestigd in zijn handelingen. De rode samenstelling levert hem een eerste erkenning op. Ingevolge deze beloning brengt Vandercam zijn nood aan extraterritorialiteit tot uiting. Hij herkent zich niet meer in de Belgische avant garde. De mislukking van Taptoe, alsook zijn toenemende beroemdheid zullen altijd synoniem staan voor de breuk. 

Een jaar later vraagt de journaliste André Flack hem een film te maken over Turkije. Deze film was bedoeld voor de uitzending Ontdekking van de wereld en liet hem daardoor toe opnieuw aansluiting te zoeken bij zijn wortels[6]. Een terugkeer naar de bronnen, naar de eerste beelden van de natuur. Gedurende zijn reis wordt hij vergezeld door Reinhoud en Rick Kessels. Deze tocht zal aanleiding geven tot een reeks doeken die aansporen tot lyriek, poëzie en reflectie. Ingevolge zijn fascinatie voor de val van de mantels van de draaiende derwisjen, maakt hij een synthese van ritme en improvisatie om uiteindelijk te eindigen bij de bevrijding van onze handelen.

Tijdens de zomer van '58 ontvangt Serge Vandercam een bestelling voor drukwerk van een textielbedrijf : het fotograferen van wollegras[7]. Deze plant die alleen op drassige ondergrond groeit, wordt een smoesje voor een poëtisch avontuur in het hart van de Venen[8]. Dit ritueel beantwoordt aan een grafische wet die nieuwe structuren in de materie zoekt. Vandercam keert uiteindelijk terug naar Brussel, onder de indruk van deze primitieve herinnering. Vandaag ziet de tekening er nog steeds uit als een afgeleide die ons toelaat de originele kijk terug tot leven te brengen. De man speelt met de effecten van texturen en lichtnuances. Deze eerste reeks die op een ander terrein tot stand kwam, de brandgangen, wordt de ontsloten Venen genoemd. Dit onderwerp geeft de artiest de mogelijkheid de weelderigheid van het bos, de verkoolde bomen en het geweld van het vuur te weergeven. Op dit vlak vindt Serge Vandercam in Chistian Dotremont een bondgenoot om zijn ervaring in de Venen te verlengen. Ogenblikkelijk zullen Boues en Bouologismes op het ritme van hun artistieke sessies vibreren.

In het jaar 1958 zal Vandercam uitermate productief zijn. Andere samenwerkingen zullen worden opgezet vanwege de sterke respons op de onthulde chaos in het universum van de Venen, zoals de gedeelde schilderijen. De fotograaf toont dat hij zich niet beperkt tot de vriendschappelijke contacten met Dotremont. Zoals vroeger, zal hij betrokken worden in toonaangevende relaties, alsook de schepping ervan. Hetzij in het surrealistisch milieu bij Cobra, hetzij in het zenuwcentrum van Taptoe. De opkomst van deze schilderijen komt overeen met het vervagen van de grenzen tussen de disciplines. Met Taptoe kwam hij dichterbij een literaire avant garde. Zijn creaties worden een gedachte in actie. Door zijn contact met de dichters vindt Vandercam een manier om zijn woede uit te drukken door een losbarsting van het woord en het geweld van zijn handelingen. In dit opzet zal Jean Dypréau een belangrijke bondgenoot zijn.

In de periode die zich uitstrekt tussen 1959 en 1964 zal hij een nieuwe manier ontwikkelen om zich uit te drukken : de beoefening van keramiek. Vandercam ruilt het ene medium in voor het andere. De fotografie bood hem een woordenschat die we in overvloed terugvinden in zijn beeldproducties, zoals de opheffing van vormen, de opeenhoping van oppervlakten, het belang van het licht en zijn organische kijk. Deze overdaad van artistieke praktijken komt van pas in zijn nieuwe experimenten. De gewaarwording van de materie die hij verwerkt in zijn doeken en in zijn verbeeldingsrijke poëzie van de Venen wordt gedreven door zijn passie. In Italië maakt hij geen omweg meer. Door zijn contact met talrijke artiesten overschrijdt hij een belangrijke kaap. Aangegrepen door de materie zal hij technieken ontdekken die heel zijn carrière weerklank zullen vinden. Hij hervat zijn ervaring van de Venen en verwezenlijkt een reeks geëmailleerde keramieken, blauw, rood, groen en veelkleurig: deze stukken overstijgen de opluister en de verbeelding. Zijn nieuwe stukken vormen geen fantasierijke beestenboel meer, maar een gedestructureerd en geagiteerd oeuvre. Polyvalent van aard, laten zijn keramieken het geweld zien dat ze ervaren hebben. Gefolterd, vertonen de vormen lacunes en grote gaten. De kunstenaar nodigt ons uit om te duiken in de diepte van de kleigrond om onze visie bij te stellen.

De reeks De zee en de wortels is de vrucht van de reizen van Vandercam. Tijdens zijn strandwandelingen zoekt de kunstenaar allerlei organische elementen, takken en wortels bijeen[10]. Geboeid door hun vorm, brengt hij ze terug naar zijn atelier om er werktuigen van te maken[11]. De schilderkwast wordt weggegooid en maakt plaats voor stapel soepele takken[12]. Eenmaal verzameld, staan deze hem toe een uitvoerige en energieke projectie van het beeldmateriaal te maken. Verpletterd tegen de staander creëert de pasta een netwerk van lijnen, vlekken en punten die verwijzen naar een ingebeelde poëzie. Serge Vandercam zal deze praktijk ettelijke malen herhalen, maar zal nooit een procédé ontwikkelen. Vanaf het begin zal De zee en de wortels zich bevestigen zowel in de schilderkunst als in de keramiek. De mens is getuige van deze interactie en draagt iets gemeenschappelijks bij aan deze werken. Of ze nu afstammen van de aarde, wortels zijn of zich uitstrekken op het doek, ze behoren allen toe aan hetzelfde geheel. Ze vullen elkaar aan en creëren een dialoog, een interactie.

In 1962, als de artiest het einde bereikt van zijn informele ervaring, biedt Asger Jorn hem een opdracht voor een Deense industriële ondernemer aan. De kunstenaar aanvaardt haar en begeeft zich in het gezelschap van Toyo Fuku en Enrico Castelliani naar Denemarken. Tijdens eens bezoek aan het museum van Silkeborg bevindt hij zich tegenover het opgegraven kadaver van de Man van Tollund. Dit zou hem ingrijpend veranderen[14].

Ten gevolge van deze aanblik zet Vandercam een poëtisch universum in beweging dat op verschillende vlakken zal weerklinken : « Gebogen wacht hij tot zijn werk recht wordt aangedaan »[15]. Deze erkenning zal hij ontvangen zodra hij terug is van Albisola. Hij zal zijn visie uitdrukken met behulp van de schilderkunst, de keramiek en later, zoals we nog zullen zien, opgestapelde papieren. Net zoals in De zee en de wortels hanteert hij verschillende invalshoeken voor zijn thema. De dood komt aan bod in zijn oeuvre en omlijnt een zekere angst[16]. Hij beeldt niet de Man van Tollund af, maar de figuur. Hij is geen nagebootst beeld, maar een gereanimeerde herinnering.

De kunstenaar evolueert tussen Italië en België. Als hij in Brussel is, verlengt hij zijn ervaring met chromatische entrelac in De zee en de wortels met Hugo Claus. Samen dompelen ze zich onder in een nieuwe reeks : Het Vlot van de Medusa (fig)[17]. Onder de monchrome projecties treden veel menselijke gedaantes op de voorgrond. Vandercam is teruggekomen naar de vorm. De Man van Tollund fascineert hem nog steeds en hij drukt dit uit aan de Vlaamse dichter.[18]. Deze is geïntegreerd in de wereld van de Venen van Jutland en getuigt met kracht van deze opoffering. Getekend door zijn originele en primitieve standpunten, schrijft Claus een gedicht dat zal dienen als voorwoord voor de catalogus van de expositie De Man van Tollund. Het evenement dat plaatsvindt in de galerij Delta van Rotterdam in 1963, legt de manier bloot waarop Vandercam zijn primitieve visies inschrijft in zijn werk. Dankzij zijn ontmoeting met het kadaver van Jutland opent zijn gekwelde ziel een gevarieerd universum dat plaats laat aan een resem deerniswekkende wezens. Ontdaan van alle begrenzing drukken zij hun angst uit zowel in de schilderkunst als de keramiek. Zij vullen elkaar aan en werken tot in het oneindige op elkaar in. De studie van deze interacties zal toegelicht worden in een volgend hoofdstuk. 

Na 4 jaar in Italië, als hij begint te genieten van artistieke zichtbaarheid, beslist hij om definitief terug te keren naar België. Belast met de zorg van zijn moeder besluit hij om een huis in Waals-Brabant te kopen [20]. In dit huis in Bierges richt hij een atelier in. Tot het einde van zijn leven zou dit een plek voor onderzoek blijven. Verschillende kunstwerken zien hier het licht waaronder De Ateliers. Het tentoonspreiden van zijn verbeelding staat op punt zijn eindhalte te bereiken. Maar net daarvoor bevestigt het menselijke gelaat zich en slaat om van een angstaanjagende vorm in een overladen spectrum van beelden. Het kadaver van De Man van Tollund bood hem aan aantal jaren voordien een morbide en gekwelde woordenschat die we in overvloed terugvinden in zijn schilderijen.

Hieruit spruiten nieuwe experimenten voort. Vandercam toont mogelijke personages. Vanachter in het atelier knevelen deze wezens diegenen die hen bemerken. Het perspectief dient zich aan en stelt een geanimeerd theater voor. Als geesten vermenigvuldigen zij zich en nemen de ruimte in beslag. Vandercam is niet meer alleen. Het beeldhouwwerk in zijn atelier, het oeuvre van 1970 toont verschillende denkbeeldige schepsels. Sommigen worden verward met de wanden, anderen doemen op uit de materie in het gedaante van een Verbrande vrouw. Het zijn dezelfde beelden die de kunstenaar obsederen. Een zekere woordenschat ontstaat : gespannen armen, larmoyante figuren, lichtgevende wezens, open monden, misvorming van het lichaam en de verscheuring van vormen.

Ruim tien jaar lang zal Mirko Orlandini de medeplichtige van Vandercam zijn. Net zoals de pottenbakkers in de fabriek San Giorgio in Albisola bewerkstelligt hij voor hem verschillende vertrekpunten. Dit laat Vandercam toe vorm te geven aan zijn 'Bestiaire' [21]. In 1971 zal hij bijvoorbeeld bijdragen tot het ontstaan van vormen die gebruikt zullen worden door de Etnografie [22]. Een reeks werken die de relatie tussen Serge Vandercam en de dichter Jacques Meuris naar een hoger niveau brengt.

Op het einde van zijn figuratieve werken wordt Oizal synoniem voor de breuk. Een nieuwe weg, die net zoals de fantastische wezens in het atelier, het artistieke werk van Vandercam zal bezielen. Oizal op een gele achtergrond toont dit ingebeelde wezen aan de zijde van andere fantastische wezens. Verlost van de beeldruimte sloopt het wezen de grenzen en neemt bezit van de ruimte. Een geëmailleerde keramiek uit 1969 herneemt deze vraag en bevestigt het poëtische opzet van de vorm. Een andere werkelijkheid die door de mythe wordt uitgedrukt [23]. Deze Oizals doen zich voor als een beangstigende uitdrukking[24]. Zij vertalen het gezang van de vogels.

In 1977 realiseert hij zijn eerste sculpturen in steen. Het zachte maakt plaats voor het harde en geeft nieuwe adem aan de verbeelding van de matierist. Een thema dat bevestigd wordt in de auspiciën van de ram.

Vijf jaar later vervangt Thérèse Lebrun Mirko Orlandini[25].  Zij is een leerling van deze laatste en begeeft zich met zijn materiaal naar het atelier in Bierges. Daar zal ze verscheidene malen het onderricht van haar mentor vervolgen. Vandercam vraagt haar om de basis voor zijn gedraaide potten te bereiden. Om een precieze interactie tussen zijn beeldend oeuvre en zijn keramieken tot stand te brengen, laat hij haar zijn artistiek universum bezoeken. Hij toont haar de Oizals, de gestaltes in het atelier, de werken van Albisola en De Man van Tollund [26]. Geboeid door zijn visie, brengt ze hem meerdere malen een bezoek. Zij kent zijn verwachtingen.

In talrijke reprises laat Vandercam zich in met de literaire Belgische avant garde. Hij levert een beduidende bijdrage aan het magazine Phantomas[27]. Hierdoor knoopt hij geprivilegieerde relaties aan en omringt hij zich met de gevestigde artistieke elite. Hij onderhoudt een correspondentienetwerk en gesprekken met zijn naasten[28]. Bierges wordt een ontmoetingsplaats. Een plek waar de artistieke schepping hand in hand gaat met oude vriendschappen. Joseph Noiret, Virtus Shade, François Jacqmin, Hugo Claus, Ernest Van Buynder, Marcel en Gabriel Picqueray vereren hem regelmatig met een bezoek en scheppen een dialoog[29]. Heel snel worden zij ingepast in de wereld van de kunstenaar. Afgezien van de interactie tussen schilderkunst en keramiek, zal ook de pen van zijn vrienden een bondgenoot blijken te zijn in zijn werk. Na Will Grohman, Philippe d’Arschot, André Blavier, Jean Dypréau, Jan Walravens, Jacques Meuris, Joseph Noiret en Max Loreau, is het François Jacqmin die zijn visie tot uitdrukking brengt. Gewapend met een intense proza, komt hij terug op het werk van de kunstenaar. De dichter beroert zijn toehoorders met de fijnheid van zijn woorden. Ze zijn bevriend sinds het begin van het Phantomas avontuur[30].

Tegelijkertijd rolt er een bestelling binnen voor de versiering van het Brusselse metrostation Joséphine-Charlotte. Vergezeld door Joseph Noiret maakt elke vorm zich los van de potentiële angst. Eenmaal tot rust maakt zij plaats voor de lyriek van de dichter en beschrijft ze het zachte wegvliegen van een vogel : De unieke Bloem - De verwonderde Vogels. Het woord sluit aan bij het beeld om op een zachte toon een muurschildering te schetsen[31].

In 1990 wijdt Hugo Claus een gedicht aan Serge Vandercam : De Man van Tollund[32]. Met deze tekst blaast hij nieuw leven in zijn herinneringen aan hun vroegere samenwerking. Nagenoeg het volgende jaar vindt er een eponieme tentoonstelling plaats in de galerij De Zwarte Panter. In de menigte vervaardigt hij een serie kunstwerken die het onderwerp het slachtoffer van Jutland hernemen. Tegelijk stelt Vandercam Hugo Claus voor om het scheppingsproces van keramiek te delen. In dit opzet stelt de dichter zich anders op dan de anderen. Hij reikt niet zijn aforismes aan maar zijn inkervingen. Hij krast ze in de materie, net zoals bij Boues in 1958-1959. Claus groeft in de nog verse materie. Voor mijn ogen en Tover je jaren als nooit tevoren zijn het resultaat van de sessies met vier handen.

Acht jaar later wordt Serge Vandercam als plastisch kunstenaar uitgenodigd om een delegatie van de Franse gemeenschap in België bij de Franse Alliantie van Pecs in Hongarije te vervoegen[33]. Ter plaatste ontmoet hij Antoni Hendrix en Pieter Leemans, twee vrienden die een fabriek voor keramiek bezitten. Onmiddellijk zet hun verlangen naar een artistieke samenwerking een poëtische beeldvorming in beweging. De ligging op de flank van een heuvel beantwoordt aan een primitieve chaos en het organische geweld. Eenmaal terug in België is hij doordrongen van deze herinnering. De Hongaarse landschappen fascineren hem en hij beslist om een nieuwe reis te ondernemen om met de kracht van zijn beelden te experimenteren. Enkele maanden later, bijgestaan door zijn Belgische relaties Hugo Martin, Antoni Hendrix en Pieter Leemans, loopt het collectieve project af. Een artistieke afgeleide in het teken van de keramiek, de Terra Ungheria.

In 2003 keert hij terug naar Italië. Door zijn oeuvre geniet hij van een aanzienlijke erkenning. Hij wordt ereburger van de stad Albisola. Tijdens dit laatste bezoek produceert hij enorm veel. In weerwil van zijn leeftijd, bijna 80 jaar, laat zijn energie hem toe om sessies van meer dan 10 uur te doorstaan. Hij verwerft één seconde van zijn jeugd en verrast met zijn efficiëntie. Het procédé blijft hetzelfde als in 1960. Verschillende ambachtslui, pottendraaiers, maken potten, borden en gebruikelijke voorwerpen die hij bewerkt en neemt als uitgangspunt voor zijn dromen[34]. Hij profiteert eveneens van de chromatische rijkdom aanwezig in zijn atelier. Naar het voorbeeld van producties van de jaren 60 of de keramieken van Pecs overschrijdt Vandercam de beperkingen van het gebruikelijke. Op de potten en borden brengt hij zijn dromerij aan, projecteert het geheel van zijn gedachtegoed en omgeeft zich met een fantastisch legioen. Onder de euforie van deze creatieve uitzinnigheid organiseert hij een vierde reis in het jaar 2004. Door zijn lijden zal hij echter niet meer in staat zijn om deze te ondernemen. Hij zal zijn pijniging alleen kunnen overwinnen door zich over te geven aan zijn interne landschappen. Hij zal terugkeren naar diegene die hem al die jaren het meest obsedeert : de materie.

Tekst : Anthony Spiegeler

[1] Orloff (S.), Veertig jaar beeldhouwkunst en keramiek. Bloeiperiode van een genre, gezien doorheen het oeuvre van zestien Belgische artiesten van 1937 tot 1978 (Université Libre de Bruxelles, Faculteit Filosofie en Letteren, Kunstgeschiedenis en Archeologie, Hedendaagse Kunst, Thesis onder leiding van professor M. Robert-Jones, 1979), p.82.

[2] We zullen terugkomen op het belang van deze oeuvres in het tweede deel van ons onderzoek. 

[3] Draguet (M.), op.cit., p.14.

[4] In het midden van de jaren 50 verliest het surrealisme zijn elan. Eensklaps verschijnt het tijdschrift Phantomas als oplossing. Het vult de leegte, achtergelaten door het uiteenvallen van Cobra en de afwezigheid van vernieuwend werk. De publicatie verzamelt schilders en dichters rondom eenzelfde expressie. 

[5] Revue geleid door Jean Dypréau, Théodore Koenig, Serge Vandercam en Jean Verbruggen. De studie van dit maandblad zal verschillende keren hernomen worden in de volgende pagina's.

[6] Serge Vandercam is de achterkleinzoon van Callisto Guatelli, een Italiaan, anobli Pacha ottoman.

[7] De Penaranda (C.), « Cobra of “Kunst van het kind”. Het verhaal over een gedeelde vriendschap », in Cobra en de Venen, Brussel, GRAM-ULB, 1994, p.83.

[8] We kunnen ter illustratie van dit poëtisch avontuur een reproductie van de fotografie van Vandercam terugvinden in het tijdschrift Phantomas van december 1961. Zijn verlangen om zijn inzicht in de Venen te delen, zal groeien en zal leiden tot verscheidene samenwerkingen waarin hij op zoek gaat naar het hart van de materie. Zie bijlagen.

[9] Boues. Gedeeld werk. Serge Vandercam – Christian Dotremont, Milaan, Galleria San Carlo, 2010, p.14.

[10] Onderhoud gegeven door Joel Vandercam, zoon van Serge Vandercam (Brussel, 25 november 2010).

[11] Deze ontvreemding van het object gaat gepaard met een gedachte aan de situationele theorieën.

[12] Draguet (M.), op.cit, p.37.

[13] Draguet (M.), op.cit, p.39.

[14] Loc.cit.

[15] Prométhée en Golem, Brussel, Zaal Allende (Université Libre de Bruxelles), 19 januari – 19 februari 2000.

[16] Noiret (J.), op.cit., p.50.

[17] Draguet (M.), Serge Vandercam. Uitnodiging voor de reis, Brussel, GRAM-ULB, 2001, p.108.

[18] Serge Vandercam, Milaan, Galleria San Carlo, 2004, p.46.

[19] De Man van Tollund, Rotterdam, Galerie Delta, 1963.

[20] Onderhoud gegeven door Joel Vandercam, zoon van Serge Vandercam (Brussel, 7

mei 2010).

[21] Onderhoud gegeven door Nelly Licot, eerste vrouw van Serge Vandercam (Brussel, 09 juli 2011).

[22] Onderhoud gegeven door Thérèse Lebrun, Keramiste van Serge Vandercam (Archennes, 08 juli 2011).

[23] Draguet (M.), op.cit., p.127.

[24] Archiefonderzoek bracht ons bij een audio getuigenis van Joseph Noiret op cassetteband.